SPGB Logo
  • De Stichting
  • de Gruthut
  • Montipeuter
  • Moriaantje
    • Algemeen
    • Groepen
    • Openingstijden
    • Leidsters
    • Pedagogisch beleid
  • Pino
  • Calimero
  • Pinokkio
Stichting Peuterspeelzalen Gemeente Beuningen

Pedagogisch beleid

Inhoudsopgave

  1. Doelstelling
  2. Visie
    1. Hoe ontwikkelen kinderen zich?
    2. Primaire uitangspunten
    3. De inbreng van de pedagogisch medewerk(st)ers
  3. De pedagogische aanpak
    1. Eigen inbreng van het kind
    2. De inbreng van de pedagogisch medewerk(st)ers
    3. Vertrouwen en zelfvertrouwen
    4. Emotionele ontwikkeling
    5. Sociale ontwikkeling
    6. Spraak - taal - cognitieve ontwikkeling
  4. Het werkplan
    1. Dagindeling
    2. Groepsactiviteiten
    3. Feesten
    4. Regels
    5. Ouders
    6. Peuter volgsysteem
    7. Overdrachtformulier
  5. Bijlage 1. Wenbeleid

1. Doelstelling

De peuteropvang stelt zich ten doel het kind naast het gezin een bredere sociale kring te bieden.

In de praktijk krijgen de kinderen de mogelijkheid om:

  • Meer contact te krijgen met andere kinderen en volwassenen.
  • Vertrouwd te raken met een regelmatige scheiding van het gezin.
  • Te leren zich te handhaven in een groep en in groepsverband te spelen.
  • Met een grote verscheidenheid aan verantwoord materiaal te spelen.
  • Zich emotioneel, motorisch, creatief, cognitief en sociaal te ontwikkelen.
  • Taal- en spreekvaardigheid te oefenen.
  • Een eigen persoonlijkheid te ontwikkelen.

De pedagogisch medewerk(st)ers realiseren dit in het contact met de kinderen door:

  • Het creëren van een goede sfeer, gezelligheid.
  • Het bieden van veiligheid, geborgenheid.
  • Individueel gericht observeren, signaleren en stimuleren van een zo optimaal mogelijke ontwikkeling.
  • Dit d.m.v. spel- en speelmateriaal, liedjes zingen, gesprekjes te voeren, voor te lezen;
    Al dan niet rondom een thema (ontwerpschema met bijbehorende spelactiviteiten, taalactiviteiten, woordweb, benodigde materialen)
  • Feest te vieren (verjaardagen, Sinterklaas, Kerstmis, Carnaval, peuterfeest).
  • In groepsverband verven, plakken, zingen, kringspelletjes doen, eten en drinken.
  • De individuele peuter de gelegenheid te geven zelf iets te maken voor een ander (verjaardag, ziekte, geboorte, vaderdag, moederdag).
  • De noodzakelijke lichamelijke verzorging te geven.

Het bezoeken van de peuteropvang kan voor de ouders de volgende functies hebben:

  • De mogelijkheid met de pedagogisch medewerk(st)ers over hun eigen kind te praten, ze kunnen twijfels omtrent de ontwikkeling van hun kind bespreken.
  • Ze kunnen erop attent gemaakt worden als er iets opvalt aan de ontwikkeling van hun peuter.
  • Ze kunnen algemene adviezen krijgen van de pedagogisch medewerk(st)ers omtrent allerlei zaken, die met hun kind te maken hebben.
  • Via de peuteropvang kunnen ze in contact komen met andere ouders met peuters.
  • Ouders kunnen ideeën opdoen over spelmogelijkheden.

2. Visie

2.1. Hoe ontwikkelen kinderen zich?

Als een kind zich prettig voelt en zelfvertrouwen heeft, dan zal het omdat elk kind van nature nieuwsgierig is, leren van allerlei prikkels van buitenaf, hetzij aangeboden hetzij spelenderwijs opgepakt.

2.2. Primaire uitgangspunten.

  • Het kind is een individu, dat zich in zijn eigen tempo ontwikkelt en eigen mogelijkheden heeft
  • We gaan uit van de belevingswereld van het kind.

2.3. De inbreng van de pedagogisch medewerk(st)ers.

  • Ieder kind wordt persoonlijk in zijn ontwikkeling gevolgd
  • Zonodig wordt een individueel behandelplan opgesteld
  • Creëren van een veilige speelomgeving zodat de peuter zich optimaal kan ontwikkelen in sociaal, emotioneel, motorisch en taalkundig opzicht
  • Spelactiviteiten verrijken met inachtneming van het niveau van de individuele peuter én de gehele groep.

3. Pedagogische aanpak

3.1. De eigen inbreng van het kind.

We zien het kind als een individu, dat zich in zijn eigen tempo ontwikkelt en eigen mogelijkheden heeft. Maar het kind moet zich ook aanpassen aan de groep.

  • Als een kind aangeeft zelf iets te kunnen, dan stimuleren we dit. We beoordelen echter wel zelf of het kind er daadwerkelijk aan toe is. We grijpen zeker in als er een gevaarlijke situatie ontstaat of als de groep er door gestoord wordt.
  • Het kind wordt gezien als een individu, ongeacht zijn geloof, huidskleur of handicap. Daar waar het mogelijk is, wordt die eigenheid gerespecteerd, maar dit mag niet ten koste gaan van de groep. We leren het kind zich dan aan te passen, of het gedrag zo te veranderen, dat het voor de groep acceptabel wordt.
  • Ieder kind ontwikkelt zich in zijn eigen tempo. We zorgen voor een veilige speel- leeromgeving zodat het kind de kans krijgt zich optimaal te ontwikkelen, d.m.v. ons peuter-volgsysteem signaleren we of de ontwikkeling goed verloopt en maken vervolgens zonodig een individueel plan van aanpak.

3.2. Inbreng van de pedagogisch medewerk(st)ers

  • Veel positieve aandacht geven, waardoor de peuter zich goed voelt en het zelfvertrouwen gestimuleerd wordt.
  • Het kind leren hoe het iets kan vragen aan een ander of hoe het kan reageren, als het iets wel of niet wil.
  • Stimuleren als het kind onzeker is, door het eerst samen te doen. We begeleiden het kind totdat het aangeeft het zelf te kunnen. We bevestigen de angst niet; het woord “durven” wordt dus vermeden.
  • Wanneer een kind een woord niet op de juiste manier gebruikt, dan herhalen we dit op de goede manier, zonder er nadruk op te leggen. We gebruiken geen peutertaal.

3.3. Vertrouwen en zelfvertrouwen

  • We laten het kind weten, dat het welkom is. De manier waarop dit gebeurt, hangt af van de aard en behoefte van de peuter zelf.
  • Voor veel kinderen is het prettig als de ouder/verzorger bij het brengen nog even blijft, zodat het acclimatiseren wat geleidelijker verloopt.
  • Het is belangrijk dat er op een duidelijke manier afscheid van het kind genomen wordt (zie bijlage wenbeleid)
  • Er is altijd één vaste pedagogisch medewerk(st)er aanwezig, omdat we het belangrijk vinden, dat als een kind op verschillende dagdelen komt er altijd tenminste één pedagogisch medewerk(st)er is die het kind kent.
  • Regels bieden de kinderen houvast. We zorgen ervoor, dat in alle verschillende groepen dezelfde regels gelden, zodat een kind dat in verschillende groepen komt, weet waar het aan toe is.
  • We hebben een vast dagritme, omdat structuur een kind duidelijkheid geeft.
  • Herhaling en herkenning geven vertrouwen. Daarom zingen we vaak dezelfde liedjes en mogen de kinderen gerust vaak met dezelfde materialen spelen, als ze dat willen.
  • Kinderen die angstig of verdrietig zijn, kunnen altijd op extra aandacht van de pedagogisch medewerk(st)er rekenen. De manier waarop die aandacht gegeven wordt, is afhankelijk van het kind. We geven die aandacht zó, dat het kind zich er prettig bij voelt.
  • We leren de kinderen de namen van elkaar, door in de kring de namen van de kinderen te benoemen.
  • Als de peuter met bepaalde kinderen of materialen wil spelen en dat lukt niet, dan begeleiden we hem/haar daarbij.
  • We geven het kind complimentjes als het iets goed doet en leggen daar meer nadruk op dan op de dingen die verkeerd gaan.

3.4. Emotionele ontwikkeling

We nemen de emoties van de kinderen serieus. Door het kind te leren zijn emoties van verdriet, pijn, boosheid, geluk, plezier etc. te benoemen, kan het hierop meer vat krijgen:

  • Elk kind wordt getroost op een manier, waarop het dat het prettigst vindt. Om te leren de emotie onder woorden te brengen, benoemen we de oorzaak van het verdriet.
  • Gedrag dat bij een ander pijn of verdriet veroorzaakt, moet worden omgebogen naar aanvaardbaar gedrag. We benoemen wat er is gebeurd, waarom we dit niet goed vinden en welk gedrag wel geaccepteerd wordt.
  • Met zijn verjaardagsfeest staat het kind in het middelpunt van de belangstelling. 

3.5. Sociale ontwikkeling

Het is belangrijk, dat een kind leert rekening te houden met andere kinderen en de Pedagogisch medewerk(st)ers, maar ook dat het leert voor zichzelf op te komen:

  • We leren de kinderen te delen en communiceren. Het kind dat afpakt, leggen we uit wat er gebeurt en we reiken hem/haar een manier aan, waarop hij dit soort dingen (namelijk iets zien te krijgen wat je graag wil hebben) wel goed kan aanpakken.
  • Als kinderen met elkaar “botsen” kijken we eerst of ze het zelf op kunnen lossen. Zo niet, dan bemiddelen we.
  • Sociaal gedrag wordt beloond: lief zijn moet iets leuks worden.
  • Tegenover de negatieve kritiek die we soms moeten geven, stellen we steeds het belonen van goed gedrag door middel van het geven van complimentjes
  • Aan onenigheid met een peuter wordt altijd een duidelijk einde gemaakt, waardoor het negatieve voorval afgesloten wordt.
  • Pijn doen mag niet. We stimuleren dat de “boosdoener” zijn excuses maakt aan het “slachtoffer”. We leren kinderen ”sorry” zeggen!
  • Kinderen moeten leren rekening te houden met elkaar:luisteren naar elkaar, op je beurt wachten en delen, niet botsen tijdens fietsen, niet gooien/slaan/afpakken/ pijn doen.
  • We leren kinderen deel uit te maken van de groep: samen eten, drinken, zingen, lachen, dansen en op elkaar wachten.
  • We leren de kinderen iets over te hebben voor een ander. Daarom mogen ze een cadeautje maken voor jarige of zieke familieleden.
  • We maken de ouders attent op vriendschappen van het kind binnen de peuteropvang.
  • We stimuleren teruggetrokken kinderen deel te nemen aan groepsspelletjes, door ze hierin te begeleiden.
  • We maken de kinderen vertrouwd met onderlinge verschillen. Alle kinderen zijn “normaal”, ondanks handicaps, ziektes, diëten, uiterlijke verschillen etc.
  • We leren de kinderen te helpen met opruimen.

3.6. Spraak - taal – cognitieve ontwikkeling

De stimulering hiervan gebeurt d.m.v. 3 verschillende werkwijzen:

  • D.m.v. thema’s bieden wij gericht taal aan (woordweb) met bijbehorende activiteiten (voorlezen, zingen, taalspelletjes, rollenspel, onderzoeksactiviteiten)
  • D.m.v. ons peuter volgsysteem observeren wij de ontwikkeling van het individuele kind; zonodig wordt er een individueel plan van aanpak gemaakt om de ontwikkeling daar waar nodig is gericht te stimuleren
  • Buiten het werken met thema’s en het individueel stimuleren van de ontwikkeling, gaan wij in op de belevingswereld van het kind
  • Actuele, betekenisvolle onderwerpen komen uiteraard spontaan aan bod: dit kan tijdens het kringgesprek, rollenspel of individueel gesprek etc. ter sprake komen.

Veel gehanteerde richtlijnen komen vanuit het pedagogisch werkplan: “Startblokken van Basisontwikkeling”

Wanneer bovenstaand niet voldoende blijkt te zijn, en het kind een achterstand in ontwikkeling dreigt op te lopen wordt er altijd met ouders overlegd over nader te ondernemen stappen. Soms wordt aangeraden een kind  extra dagdelen naar de peuteropvang te laten komen (bijv. extra oefenen spraakvaardigheid). Soms kan in overleg besloten worden externe hulp in te schakelen om te kijken en beoordelen welk plan van aanpak voor dit kind het beste kan zijn.

4. Het werkplan

4.1. DagindelingDe groepsgrootte bestaat uit 14 kinderen waarvan sommige kinderen soms op beide gropen verblijven. Het kan ook voorkomen dat een pedagogisch medewerkster op beide groepen werkzaam is.

8.45 uur / 13.00 uur

  • De kinderen worden gebracht. De ouder/verzorger helpt, indien nodig, het kind te acclimatiseren. Er kan informatie uitgewisseld worden met de pedagogisch medewerk(st)ers.
  • De peuters kunnen vrij spelen en kiezen zelf wat ze graag doen en met wie. De pedagogisch medewerk(st)ers stimuleren teruggetrokken kinderen, spelen mee, doen een spelletje met een enkel kind of een groepje, lezen voor, bemiddelen en troosten.
  • Voor bijzondere gelegenheden, maken individuele kinderen een plakwerkje

10.30 tot 10.55 uur/ 14.15 tot 14.45 uur

  • Er wordt gezamenlijk opgeruimd, daarna een boek voorgelezen
  • De kinderen stimuleren om zelf dingen te pakken en op te ruimen
  • In de kring worden liedjes gezongen en eventueel feest gevierd.
  • Daarna pakken de kinderen hun meegenomen tas met eten en drinken

10.55 tot 11.15 uur / 14.45 tot 15.00 uur

Tijd voor ontwikkelingsgerichte activiteiten; individueel of groepsgericht. (Bijv. individueel kind begeleiden of groepsgericht: verteltafel, kringspelletje, verhaal vertellen, voorlezen).

11.15 uur tot 11.45 uur / 15.00 uur tot 15.30 uur

Bij goed weer buiten fietsen. De kinderen pakken zoveel mogelijk zelf de fietsen uit de schuur en zetten na afloop ook de fietsen weer terug.

4.2. Groepsactiviteiten

  • We zingen en eten samen.
  • Buiten activiteiten: fietsen, watertafel, stoep krijten, ballen etc.
  • Binnen activiteiten: plakken, kleuren, verven, kringspelletjes, voorlezen, fietsen, muziek luisteren en dansen, zandtafel en met lego/duplo, en hamertje tik spelen.

4.3. Feesten

  • Carnaval: De kinderen mogen verkleed op de peuteropvang komen (niet verplicht) en ze krijgen iets lekkers.
  • Vaderdag/moederdag: De kinderen maken een cadeautje en nemen het ingepakt mee naar huis.
  • Pasen: De kinderen maken een werkje en nemen dat mee naar huis met iets lekkers erbij.
  • Sinterklaas: 1 of 2 pieten komen in elke groep een half uur op bezoek. De kinderen krijgen een cadeautje en snoepgoed. Van te voren hebben ze een werkje gemaakt in kader van thema Sinterklaas.
  • Kerstmis: In elk lokaal wordt een kerstboom gezet. De peuters maken één of meer werkjes in kader van thema Kerstmis, er wordt een verhaaltje over Kerstmis verteld, en ze krijgen iets lekkers op de peutergroep en nog iets mee naar huis.
  • Verjaardag van de peuter: We maken een feesthoed. Tijdens het zingen van de liedjes mag de jarige op tafel zitten, trommelen, alle liedjes uitkiezen de kaarsjes gaan aan, en na afloop trakteren.
  • We hebben één keer per jaar een peuterfeest met de kinderen van Moriaantje (met iedere keer een ander thema)

4.4. Regels

  • Voor de veiligheid van de kinderen zijn er een aantal regels: Niet op de glijbaan lopen, niet te hoog klimmen, niet gooien, niet botsen.
  • Op de peuteropvang wordt het speelgoed gedeeld met alle kinderen, daarom is het niet wenselijk dat de peuter eigen speelgoed meeneemt. Als een kind nog een eigen knuffel nodig heeft, dan mag het dat natuurlijk wel meenemen.
  • De kinderen mogen geen snoep meenemen, behalve als verjaardagstraktatie.

4.5. Ouders

  • We maken afspraken met de ouder(s)/verzorger(s) over het wennen van een kind.
  • Ouders krijgen dit wenbeleid toegestuurd bij plaatsing van het kind.
  • Ouders kunnen op afspraak een dagdeel meedraaien, dit geldt niet voor broertjes/zusjes.
  • Ouders zijn welkom als het kind zijn verjaardag viert. Het meenemen van andere kinderen wordt afgeraden, omdat ze te bepalend kunnen zijn voor het feest. Mochten ze toch meekomen, dan valt dit onder eigen verantwoordelijkheid van de ouder(s).
  • Ouders kunnen op allerlei manieren helpen: b.v. Poetsen van materiaal, herstellen of maken van speelgoed, deelnemen aan oudercommissie/ouderraad.

4.6 Peutervolgsysteem

Elk kind wordt driemaal geobserveerd tijdens het verblijf op de peuteropvang, zodat de pedagogisch medewerk(st)ers een goed beeld hebben van de ontwikkeling van het kind.

(Zonodig wordt dit besproken met de ouders).

4.7. Overdrachtformulier

Het overdrachtformulier wordt ingevuld voor alle kinderen.

Na bespreking met de ouders en schriftelijke toestemming gaat 1 exemplaar na de basisschool, 1 is voor de ouders, en 1 blijft in het archief van de peuteropvang.

4.8. Zorgcoördinator

De zorgcoördinator komt regelmatig op de groepen kijken of er problemen zijn, en heeft gesprekken met ouders indien nodig.

4.9. Ondersteuning door achterwacht

Het kantoor is op 5 minuten afstand. Indien nodig kunnen we bellen voor hulp.

Bijlage 1. Wenbeleid

Afscheid nemen is een moment waarop kinderen ervaren dat ze het even zonder jou moeten doen.

Hoe neem je goed afscheid?

  • Ga even zitten met je kind en maak bijvoorbeeld een puzzeltje.
  • Zeg vervolgens dat je weggaat en neem duidelijk afscheid (kusje geven, zwaaien).
  • Houd het afscheid kort.
  • Ga nooit stiekem weg.
  • Kom niet terug als de peuter huilt.
  • Als het kind verdrietig is geef het dan over aan de pedagogisch medewerk(st)er, zij troost de peuter.
  • Vertrouw erop dat er gebeld wordt wanneer het echt niet gaat.

Als je ongerust bent kun je altijd bellen.

Als een kind na verloop van tijd geen plezier beleeft aan het spelen, dan kan een andere manier afgesproken worden om te wennen, bijvoorbeeld later brengen, eerder ophalen.
Dit gebeurt in overleg met de pedagogisch medewerk(st)ers.


valid xHTML 1.0 strict & css - design © 2005-2007 Parallel Dimension