Protocol kindermishandeling
Inleiding protocol
Kindermishandeling is geen eenduidig begrip. Wat iemand kindermishandeling noemt, heeft te maken met eigen normen en waarden, de manier waarop men zelf is opgevoed en de cultuur waarin men leeft. Het is van belang onderscheid te maken tussen kindermishandeling en minder gewenste opvoedingssituaties. Iedere ouder maakt immers wel eens fouten, is onredelijk of driftig of deelt een tik uit. Bij kindermishandeling is er echter sprake van structureel, stelselmatig, steeds terugkerend geweld of het ontbreken van zorg van de ouder(s) naar zijn/haar kinderen.
Definitie van kindermishandeling
Kindermishandeling is elke vorm van bedreigende of geweldadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief, opdringen waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel. (Wet op de jeugdzorg,2005)
Hieronder vallen ook verwaarlozing en onthouden van essentiële hulp, medische zorg en onderwijs en het getuige zijn van huiselijk geweld.
Feiten
- Meer dan 107.000 kinderen zijn jaarlijks slachtoffer van kindermishandeling;
- In iedere schoolklas van ongeveer 30 kinderen is gemiddeld > 1 kind slachtoffer;
- 45% is zelf ooit slachtoffer geweest (getuige zijn van huiselijk geweld is ook een vorm van kindermishandeling;
- In 2007 zijn er tussen de 40 en 50 kinderen overleden als gevolg van kindermishandeling.
Vormen van kindermishandeling
Lichamelijke mishandeling
Er is sprake van lichamelijke mishandeling wanneer de verzorgers het kind verwonden. Voorbeelden: de verzorger slaat en schopt het kind, de verzorger brandt het kind met een sigaret, bijten, snijden, dwingen om schadelijke stoffen in te nemen.
Lichamelijke verwaarlozing
De verzorger is niet in staat of bereid tot het verschaffen van minimale zorg t.a.v. de lichamelijke behoeften van een kind op een of meerdere gebieden: voeding, kleding, onderdak, bezoek aan arts en tandarts, hygiëne. Voorbeelden: de verzorger zorgt regelmatig niet voor eten voor de kinderen, het kind is vuil en heeft (landurig en regelmatig) luizen, de verzorger zorgt niet voor een geschikte slaapplaats voor het kind. Het kind komt altijd met vieze luiers en heeft ernstige luieruitslag, het kind heeft medicijnen nodig, maar de verzorgers zorgen er niet voor dat het kind ze regelmatig krijgt, een kind wordt 's nachts vele uren alleen gelaten.
Emotionele mishandeling
Vrijwel alle vormen van kindermishandeling brengen negatieve emotionele/psychologische boodschappen over naar een kind. Voorbeelden: de verzorger kleineert het kind vaak, er is sprake van partnergeweld, de verzorger geeft het kind de schuld van relatieproblemen, de verzorger staat geen vriendschap met leeftijdsgenootjes toe, het kind wordt achtergesteld bij andere kinderen thuis om op jongere kinderen te passen; de verzorger is ervan op de hoogte dat het kind zich inlaat met illegale praktijken maar grijpt niet in; de verzorger verkoopt drugs in het bijzijn van het kind; het kind wordt ingeschakeld bij de verkoop van drugs.
Getuige zijn van huiselijk geweld: kinderen die opgroeien in een gewelddadig gezin, voelen de spanning, horen de kreten, zien de verwondingen, willen tussenbeide springen en kunnen daardoor ernstige psychische schade oplopen. Die kinderen leven in constante angst.
Emotionele verwaarlozing
Het ontzeggen van warmte, aandacht, respect, contact, nooit eens knuffelen.
Seksueel misbruik
De verzorger heeft seksueel contact met het kind, probeert dit te hebben of laat het kind kijken naar, ter bevrediging van de seksuele gevoelens van de betrokken verzorger en/of uit geldelijk gewin. Voorbeelden: de verzorger laat het kind pornografisch materiaal zien, de verzorger betrekt het kind in wederzijdse mastrubatie, de verzorger verkracht het kind.
Verdeling verantwoordelijkheden
Verantwoordelijkheden directie:
- Opnemen van het protocol kindermishandeling in het kwaliteitsbeleid van de organisatie.
- Informeren van ouders en medewerkers over dit beleid (in informatieboek en op de website).
- Steunen van alle medewerkers in het handelen volgens het protocol.
- Zorgdragen voor voldoende deskundigheid bij medewerkers over signaleren en omgaan met (vermoedens van) kindermishandeling.
- Eindverantwoordelijkheid dragen voor de uitvoering van het protocol.
Verantwoordelijkheden van de zorgcoördinator (aandachtsfunctionaris):
- Herkennen van signalen die kunnen wijzen op kindermishandeling.
- Functioneren als vraagbaak binnen de organisatie van algemene informatie over (het protocol) kindermishandeling.
- Overleg plegen met de medewerker die zorg heeft over een kind.
- Indien nodig overleggen met andere beroepskrachten.
- Kennis hebben van de handelswijze volgens het protocol.
- Vaststellen van taken van een ieder (wie doet wat wanneer).
- Zonodig contact opnemen met het AMK (Advies- en Melpunt Kindermishandeling) voor advies of melding.
- Waken voor de veiligheid van het kind bij het nemen van beslissingen.
- Toezien op zorgvuldige omgang met de privacy van het betreffende gezin.
- Verslaglegging
- Afsluiten van het protocol.
- Evalueren van de genomen stappen.
- Bijhouden van de sociale kaart.
- Periodiek bijstellen van het protocol.
Verantwoordelijkheden beroepskracht kindercentrum:
- Herkennen van signalen die kunnen wijzen op kindermishandeling
- Overleg plegen met de zorgcoördinator bij zorg over een kind aan de hand van waargenomen signalen die kunnen wijzen op kindermishandeling
- Uitvoeren van afspraken die zijn voortgekomen uit het overleg met de zorgcoördinator zoals (mede) observeren of een gesprek met de verzorger
- Bespreken van de resultaten van deze ondernomen stappen met de zorgcoördinator
De directie, de zorgcoördinator en de beroepskrachten zijn niet verantwoordelijk voor:
- Vastellen of er al dan niet sprake is van kindermishandeling
- Verlenen van professionele hulp aan ouders of kinderen (begeleiding, therapie).
Meldcode
Stappenplan
Fase 1: Signaleren, de beroepskracht heeft een vermoeden
Kinderen die mishandeld worden, kunnen veel verschillende signalen laten zien. Deze signalen kunnen wijzen op kindermishandeling, maar kunnen ook een andere oorzaak hebben zoals een scheiding of een sterfgeval.
Het bewust worden van een vermoeden van kindermishandeling geeft vaak een vervelend gevoel: onzekerheid over de opgemerkte signalen, angst om je er mee te bemoeien. Wat helpt om kindermishandeling te durven signaleren is de overtuiging en de wetenschap dat kindermishandeling een ernstig probleem is en waar je niet omheen kunt als je met jonge kinderen werkt. Signaleren begint vaak met een niet-pluis gevoel . Bij signaleren gaat het in eerste plaats om de zorg die de beroepskracht heeft over een kind, waarvoor zij geen geruststellende verklaring kan vinden. Kindermishandeling is een van de mogelijke oorzaken. Het is niet aan de beroepskracht om vast te stellen dat er sprake is van kindermishandeling. Het gaat om de zorgen die zij heeft om het kind. Meestal zullen mishandelde kinderen of degene die hen mishandelt niet uit zichzelf over de situatie vertellen. Het is nodig dat personen in de omgeving van het kind de verantwoordelijkheid nemen om situaties van kindermishandeling bespreekbaar te maken en te stoppen.
Observeer het kind, leg waarnemingen vast en zoek naar onderbouwing
Als er signalen zijn die zouden kunnen wijzen op kindermishandeling probeert de beroepskracht met gebruik van het observatieformulier de zorgen rond een kind duidelijker te krijgen. Hierbij maakt zij gebruik van haar eigen waarnemingen (feiten beschrijven). Zij kan informatie vragen aan haar collega's. Ook kan zij informatie uit de gebruikelijke contacten met ouders halen, bijvoorbeeld bij de breng- en ophaalcontacten.
Het is belangrijk dat bij het verhelderen van de vermoedens een onderscheid wordt gemaakt tussen objectieve gegevens en subjectieve gegevens. Onder objectieve gegevens wordt datgene verstaan wat daadwerkelijk gezien kan worden, zoals een blauwe plek op een arm, een kapotte regenjasje of te kleine schoenen (feiten). Onder subjectieve gegevens wordt verstaan hoe de gegevens geïnterpreteerd worden. Bijvoorbeeld een kind heeft een blauwe plek: "het kind is geslagen" of "het kind ziet er verwaarloosd uit". Op het observatieformulier worden de objectieve gegevens genoteerd. Het observatieformulier gaat het dossier in.
Houd er rekening mee dat signalen ook op andere oorzaken kunnen wijzen en dat een signaal op zichzelf niets zegt. Pas wanneer er meerdere signalen worden gezien die door meerdere mensen worden opgemerkt, kan men denken aan een vermoeden van kindermishandeling. Blijft de individuele beroepskracht desondanks zorgen houden, blijft deze het kind observeren en betrekt hier de zorgcoördinator bij.
Let op:
- Het is niet de taak van de beroepskracht om speurwerk naar de dader te doen.
- Het is niet de taak van de pedagogisch medewerk(st)ers om tot 100 procent zekerheid te komen.
- Het is wel de taak van de beroepskracht om het kind te steunen, het beeld over het gedrag duidelijker te krijgen en de zorgen die er zijn te onderbouwen. In de zogenoemde meldplicht (wettelijk van kracht in 2012) is dit ook opgenomen: als je iets weet/of denkt te weten, ben je verplicht dit te melden. Zo niet, kun je later, bij falen van de zorg rondom het kind, in meer of mindere mate aansprakelijk gesteld worden.
Leg de waarnemingen voor aan de verzorger(s)
Signalen als hoofdpijn, angst of agressie kunnen bij kinderen verschillende oorzaken hebben. Het is belangrijk deze signalen in de vorm van concrete waarnemingen zo veel mogelijk rechtstreeks met de verzorger(s) te bespreken. In deze eerste fase is het verstandig de vermoedens van kindermishandeling niet uit te spreken in het contact met verzorger(s). Bijvoorbeeld: Karin heeft een wond op haar hoofd, wat is er gebeurd? (goed). In plaats van Karin heeft een wond op haar hoofd en ik denk dat vader haar heeft geslagen (fout). Het gesprek met de verzorger(s) staat niet op zich zelf maar vloeit logisch voort uit de contacten die er al zijn. Door regelmatig met hen informatie uit te wisselen over het functioneren van het kind in de groep en thuis is het gemakkelijker om ook zorgen rond een kind vroegtijdig bespreekbaar te maken. In veel gevallen zal het bespreken van de signalen ertoe leiden dat er een verklaring volgt die het vermoeden kan wegnemen, of vinden ouders het prettig met hen over de ontstane problemen te praten. In een aantal gevallen zal de informatie van de verzorger(s) de zorgen niet kunnen wegnemen en zijn verdere stappen noodzakelijk.
Fase 2: De beroepskracht bespreekt het onderbouwde vermoeden in een overleggroep
- Bespreek de informatie met collega's en zorgcoördinator
De beroepskracht legt de zorgen voor aan de zorgcoördinator. De zorgcoördinator zal de beroepskracht ondersteunen en begeleiden in het proces van het verkrijgen van informatie. De zorgcoördinator verzamelt zo veel mogelijk feiten m.b.t. het kind (overlegt met zoveel mogelijk betrokkenen).
De zorgcoördinator koppelt haar bevinden weer terug naar de beroepskracht. De zorgen die er zijn worden besproken en er wordt besproken waarom er wordt gedacht aan kindermishandeling. Dit overleg dient als middel om het vermoeden te toetsen bij anderen, informatie te verzamelen, maar ook om ruimte te geven aan eventuele emoties.
Om tot een goede onderbouwing te komen van de vermoedens wordt er besproken welke gegevens er zijn en welke nog ontbreken. De zorgcoördinator (of aandachtsfunctionaris) is verantwoordelijk voor de coördinatie en voortgang. Zij let op de voortgang en bewaakt de tijdslimiet van de verschillende fases.
- Extra gegevens
Wanneer er nog gegevens ontbreken worden er afspraken gemaakt over extra observaties en wordt afgesproken waarop en door wie wordt geobserveerd. Het gebruik van de signalenlijst kan soms duidelijkheid geven. Verder kan met toestemming van de verzorger(s) ook het consultatiebureau of een medewerker van een opvoedbureau (NIM) om informatie en/of advies gevraagd worden.Wanneer verzorger(s) hier geen toestemming voor geven kunnen zorgen omtrent het gezin/het kind besproken worden zonder de naam van het kind te noemen.
- Plan van aanpak
De zorgcoördinator en beroepskracht bespreken de informatie en de extra gegevens. Wanneer de vermoedens niet onderbouwd kunnen worden en ook de zorgen bestaan niet meer, sluit de zaak dan af en ga naar fase 6. De persoonlijke werkaantekeningen worden vernietigd. Indien het vermoeden blijft bestaan, besluit dan tot een plan van aanpak. In het plan van aanpak worden de mogelijke stappen beschreven, die uitgewerkt worden in fase 3.
Fase 3: Het uitvoeren van een plan van aanpak
- Een consultatie bij het AMK
Overleg met het AMK is in alle gevallen aan te raden. Het AMK biedt ondersteuning bij het interpreteren van signalen en bij het nadenken over de vervolgstappen die noodzakelijk zijn.
- Praten met verzorger(s)
De zorgcoördinator overlegt met de beroepskracht wie het beste met de verzorger(s) kan spreken. Bereid het gesprek goed voor. Overleg na afloop van het gesprek met de betrokkenen beroepskracht(-en). Het AMK kan adviseren hoe een gesprek gevoerd kan worden met de verzorger(s). Een gesprek met de verzorger(s) hoeft niet bedreigend te zijn voor de ouders als zij de ruimte krijgen om hun iedereen naar voren te brengen. In het gesprek met de verzorger(s) gaat het om het bespreken van de dingen die opvallen aan hun kind en die aanleiding geven tot zorg over hun kind. Ook moet worden besproken dat de zorg al langere tijd bestaat en dat is aanleiding tot zorg over de ontwikkeling van het kind.
- (Eventueel) praten met kind
Overleg met de beroepskracht of een gesprek(je) met het kind meerwaarde geeft. Een gesprek heeft als doel het kind te ondersteunen. Zorg ervoor dat een gesprek waardevol voor het kind is. Let op dat u in het gesprek de verzorger(s) niet veroordeeld. Een kind heeft immers maar 1 (paar) verzorger(s). Houd ook in gedachten dat een gesprek niet als hoofddoel mag hebben om informatie uit het kind te halen. Laat het geen verhoor worden. In onze leeftijdscategorie zal het in de meeste gevallen niet door de beroepskracht aangekaart worden bij het kind. Indien het kind zelf begint is het zaak van de beroepskracht hier zorgvuldig naar te luisteren, zonder een oordeel aan het kind te geven (laat de verzorger(s) in hun waarde).
- Bespreek de resultaten bij ieder bezoek ( + 2 x in de maand) met de zorgcoördinator
Bespreek maximaal na 1 maand alle waarnemingen/gegevens die tot nu toe verzameld zijn. Ook de informatie uit de gesprekken wordt besproken. Zorg ervoor dat u een beeld krijgt van de verzorging en opvoedingssituatie van het kind. Schat ook de draaglast/draagkracht in van de verzorger(s).
Fase 4: Beslissing
De zorgcoördinator overlegt de stand van zaken rondom de vermoedens.
a) De vermoedens zijn na overleg met de betrokkenen niet bevestigd en ook de zorgen over het kind bestaan niet meer.
b) Na gesprek(ken) met verzorger(s) is duidelijk dat verzorger(s) ook bezorgd is/zijn. De oorzaak van de zorgen kan een minder gewenste opvoedingssituatie zijn of een andere oorzaak hebben. In het gesprek wordt duidelijk dat ook de verzorger(s) vinden dat het belangrijk is dat er hulp op gang komt.
c) Na overleg met betrokkenen blijft wel ernstige twijfel bestaan; het is niet duidelijk of er wel of niet sprake is van een vermoeden.
d) Het vermoeden van kindermishandeling blijkt na het gesprek met betrokkenen gegrond en de zorg over het kind blijft bestaan.
e) Er ontstaat een crissisituatie.
Fase 5: Handelen
a) De vermoedens zij na overleg met de verzorger(s) niet bevestigd en ook de zorgen over het kind bestaan niet meer > Sluit de zaak af en vernietig alle schriftelijke aantekeningen.
b) De oorzaak van de zorgen kan een minder gewenste opvoedingssituatie zijn of een andere oorzaak hebben. Wanneer in het gesprek duidelijk wordt dat de verzorger(s) ook vinden dat het belangrijk is dat er hulp voor hen komt, kan worden doorverwezen naar het ZAT, die adviseert waar zij het best terecht kunnen met hun zorg(en).
c) Na overleg met verzorger(s) blijft er wel ernstige twijfel bestaan: het is niet duidelijk of er wel of niet sprake is van een vermoeden > In dit geval is het goed om de situatie rondom het kind nog een tijdje in de gaten te houden en na een vastgestelde periode (niet langer dan een maand) opnieuw in een intern/extern overleg te bespreken. Maak duidelijke afspraken waarop georbserveerd zal gaan worden en door wie. Ga daarna dan weer naar fase 4 de beslissing. Het is belangrijk dat op zeker moment besloten wordt tot ofwel actie ofwel afsluiten van de zaak. Vermijd het risico dat een gezin jarenlang achtervolgd wordt door vage vermoedens en onduidelijkheden.
d) Het vermoeden van kindermishandeling blijkt na het gesprek met de verzorger(s) gegrond en de zorg over het kind blijft bestaan > Melding bij het AMK. in de meeste gevallen door de zorgcoördinator. Het vermoeden hoeft niet bewezen te zijn! Als er besloten is dat de vermoedens van kindermishandeling worden gemeld bij het AMK, is het belangrijk dat dit aan de verzorger(s) in een persoonlijk gesprek verteld wordt. Het AMK kan advies geven over het voeren van dit gesprek. Hoewel dit een moeilijk gesprek is, is het van belang voor de verdere hulpverlening aan het kind. Verzorger(s) zijn sneller bereid problemen te erkennen en hulpverlening te aanvaarden wanneer er in alle openheid over gesproken wordt, zodat zij niet het gevoel hebben dat er zaken stiekem achter hun rug om gebeuren. Isolement houdt kindermishandeling in stand. Openheid kan het doorbreken. Wanneer het in het belang van het kind is om zonder medeweten van verzorger(s) te melden bij het AMK, dan is dit ook mogelijk.
e) Wanneer een crississituatie en/of een levensbedreigende situatie voor het kind ontstaat, belt u de politie of de crissisdienst van het Bureau Jeugdzorg.
Fase 6: Evaluatie
Evalueer het proces en de procedure
- De zorgcoördinator evalueert datgene wat er is gebeurd en de procedures die zijn gevolgd.
- Zonodig wordt de zaak ook doorgesproken met andere betrokkenen.
- Zonodig worden verbeteringen in afspraken en/of procedures aangebracht.
- Zorg ervoor dat geanonimiseerde gegevens met betrekking tot het vermoeden van kindermishandeling worden geregistreerd.
- Deze gegevens worden door de directie op een centraal punt bewaard (externe harddisk).
- De gegevens worden geregistreerd en bewaard om in kaart te kunnen brengen hoe vaak vermoedens van kindermishandeling binnen de gehele organisatie voorkomen en op welke wijze daarmee wordt omgegaan. Rapportage naar directie.
Fase 7: Nazorg
Blijf alert op het welzijn van het kind
Het op gang brengen van hulp in het gezin is de aanzet tot het verhelpen van de problemen. Het kost enige tijd voordat die hulp vruchten afwerpt. De verantwoordelijkheid van het kindcentrum in het kader van de nazorg is:
- Het bieden van een veilige plek.
- De begeleiding en het observeren van het kind.
- De bereidheid tot het geven van informatie aan het AMK over het functioneren van het kind in de groep en het contact met de verzorger(s).
- Het meedenken in overlegsituaties ten behoeve van hulpverlening aan het kind en de verzorger(s).
Zoek zonodig opnieuw contact met het AMK
Als het kind is gemeld bij het AMK en er nieuwe signalen zijn, is het van belang deze door te geven aan het AMK. Het AMK kan zonodig contact opnemen met het gezin of met de betrokken hulpverleningsinstellingen. Wanneer het kind, zonder duidelijke opgaaf van redenen wegblijft van het kindcentrum, is het belangrijk om dit door te geven aan het AMK.
- Zorgen rondom het kind kunnen bij de medewerkers allerlei twijfels en gevoelens losgemaakt hebben. Naast het feit dat het de verantwoordelijkheid van de medewerker zelf is om twijfels en gevoelens kenbaar en bespreekbaar te maken, is het belangrijk dat er onderling aandacht aan wordt besteed. Het is van belang dat er ook nazorg voor de medewerkers beschikbaar is.
- Iedere medewerker heeft recht op een veilige werkplek. De werkgever dient hiervoor de voorwaarden te scheppen.
